ECLI:NL:RVS:2024:3298
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek overkomst Afghanistan op grond van speciale voorziening
Appellant, een Afghaanse bewaker voor de Nederlandse krijgsmacht in Uruzgan tussen 2008 en 2010, verzocht de minister van Buitenlandse Zaken om hem en zijn gezin vanuit Afghanistan naar Nederland over te brengen. De minister wees dit verzoek af omdat appellant niet rechtstreeks bij Defensie in dienst was, maar bij een onderaannemer, en omdat hij niet voorkwam in de relevante database met meldingen van Nederlandse veteranen en hulpverzoeken vóór 11 oktober 2021.
De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister terecht een afgebakende groep van circa 500 Afghanen hanteert die zich uiterlijk op 11 oktober 2021 hebben gemeld, en dat appellant met zijn verzoek van 26 september 2022 te laat was.
Verder faalden de bezwaren van appellant over willekeur, schending van het gelijkheidsbeginsel, overmacht en gevaar in Afghanistan. De Afdeling bevestigde dat het buitenwettelijke begunstigend beleid beleidsruimte biedt en dat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd om van het beleid af te wijken.
De Afdeling oordeelde ook dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand liet, gelet op de motivering en proceseconomische overwegingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarmee het verzoek tot overkomst wordt afgewezen.