ECLI:NL:RVS:2024:3296
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek overkomst Afghaanse weduwe ASG-bewaker naar Nederland
De Afghaanse appellante, weduwe van een ASG-bewaker die tussen 2006 en 2010 voor de Nederlandse krijgsmacht werkte en in 2019 door de Taliban werd vermoord, verzocht de minister van Buitenlandse Zaken om haar en haar zoon vanuit Afghanistan naar Nederland over te brengen. De minister wees dit verzoek af omdat zij niet viel onder de speciale voorziening die alleen geldt voor meldingen of hulpverzoeken gedaan uiterlijk 11 oktober 2021.
De rechtbank vernietigde het besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De minister had beleidsvrijheid om een afgebakende groep te bepalen en de termijn vast te stellen. Het verzoek van appellante, gedaan op 4 december 2022, viel buiten deze termijn.
Appellante voerde aan dat haar situatie bijzondere omstandigheden bevatte, waaronder het feit dat haar oud-collega pas in 2022 wist hoe een hulpverzoek in te dienen en dat veel Afghanen moeite hadden met het meldproces. De Afdeling oordeelde dat deze omstandigheden niet afwijken van die van andere ASG-bewakers die wel tijdig een verzoek indienden.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het gevaar in Afghanistan werden verworpen. De Afdeling overwoog dat de minister niet verplicht is om buiten het beleid om overkomst te faciliteren en dat het besluit na motivering de rechterlijke toets kan doorstaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot overkomst is bevestigd.