ECLI:NL:RVS:2024:2661
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.Th. Drop
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bevoegdheid staatssecretaris bij niet-ontvankelijkheid bezwaar vreemdelingen
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van minderjarige vreemdelingen tegen de afwijzing van hun verblijfsvergunning gegrond verklaarde. De vreemdelingen, geboren in Nederland met Angolese nationaliteit, hadden bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun aanvraag, maar dienden de gronden van bezwaar te laat in.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van de minderjarige vreemdelingen en dat een inhoudelijke belangenafweging vereist was voordat het bezwaar niet-ontvankelijk kon worden verklaard. De staatssecretaris stelde echter dat artikel 6:6 van Pro de Awb een discretionaire bevoegdheid geeft om een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren bij vormverzuimen, zonder inhoudelijke belangenafweging.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat de rechtbank ten onrechte een inhoudelijke belangenafweging verplicht stelde bij toepassing van artikel 6:6 Awb Pro. De staatssecretaris had het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden niet tijdig waren ingediend, ondanks het verzoek om uitstel. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. Tevens wordt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard vanwege het latere besluit van de staatssecretaris.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het bezwaar van de vreemdelingen mocht terecht niet-ontvankelijk worden verklaard.