ECLI:NL:RVS:2024:2586
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen last onder dwangsom en invordering tuinhuis Veenendaal
Appellanten hebben een tuinhuis gebouwd zonder de vereiste omgevingsvergunning, waarbij de goothoogte, nokhoogte en oppervlakte niet voldeden aan de regels voor vergunningvrij bouwen. Het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal legde daarop een last onder dwangsom op en vorderde later de verbeurde dwangsom in.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft eerder twee besluiten op bezwaar vernietigd, maar in een nieuw besluit op bezwaar van 22 juni 2021 concludeerde het college op basis van nieuwe metingen dat het tuinhuis inmiddels binnen het bestemmingsplan valt en herroept het de last onder dwangsom met terugwerkende kracht. De invordering van de reeds verbeurde dwangsom handhaaft het college echter.
Appellanten voerden onder meer aan dat de oorspronkelijke metingen onjuist waren, dat de dwangsom onevenredig hoog was, dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden en dat het invorderingsbesluit onrechtmatig en disproportioneel was. De Raad van State oordeelt dat het college bevoegd was de last op te leggen, dat nieuwe beroepsgronden niet meer kunnen worden aangevoerd, dat het college het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden en dat het invorderingsbesluit terecht is gehandhaafd, ook gezien de vaste rechtspraak dat alleen bij bijzondere omstandigheden van invordering kan worden afgezien.
Uitkomst: Het beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard en het college mag de last onder dwangsom en de invordering handhaven.