ECLI:NL:RVS:2024:1636

Raad van State

Datum uitspraak
18 april 2024
Publicatiedatum
18 april 2024
Zaaknummer
202202737/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke belangenafweging

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 23 maart 2020 aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf voor twee vreemdelingen af en verklaarde op 30 augustus 2021 het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond, vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit met inachtneming van de uitspraak.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in, maar de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak leidt. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de staatssecretaris in de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro niet alle relevante feiten juist heeft meegewogen. Zo werd ten onrechte aangenomen dat de moeder vrij is om met haar kinderen naar Nigeria te verhuizen, terwijl de vader van een in Nederland wonend kind geen toestemming geeft.

Ook werd onvoldoende gewicht toegekend aan de langdurige verblijfsduur, leeftijd, schoolbezoek en hechting van de kinderen aan Nederland, waardoor het waarschijnlijk niet in hun belang is om mee te verhuizen. De staatssecretaris moet daarom een hernieuwde belangenafweging maken waarin het belang van de Nederlandse Staat wordt afgewogen tegen dat van de vreemdelingen.

De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202202737/1/V1.
Datum uitspraak: 18 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 6 april 2022 in zaak nr. 21/5325 in het geding tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 30 augustus 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A.W. Eikelboom, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de staatssecretaris in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM niet alle relevante feiten en omstandigheden op de juiste manier heeft meegewogen. De staatssecretaris is er namelijk van uitgegaan dat er geen belemmering is voor de moeder van de vreemdelingen, referent, om naar Nigeria te verhuizen. De staatssecretaris is er daarbij echter naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte aan voorbijgegaan dat de eveneens met het ouderlijk gezag beklede vader van een van haar in Nederland wonende kinderen weigert om toestemming te verlenen voor een verhuizing van dat kind naar Nigeria, waardoor het de referent daarom niet zonder meer vrijstaat dat kind mee te nemen naar Nigeria. Ook heeft de staatssecretaris ten onrechte geen gewicht toegekend aan de omstandigheid dat het, gelet op hun verblijfsduur, leeftijd, schoolbezoek en hechting aan Nederland, hoogstwaarschijnlijk niet in het belang van haar in Nederland wonende kinderen zal zijn om met hun moeder naar Nigeria te moeten verhuizen. Aldus heeft de staatssecretaris ondeugdelijk gemotiveerd dat en waarom er geen sprake is van onoverkomelijke of grote obstakels die in de weg staan aan het vertrek van referent naar Nigeria (vergelijk ook het arrest van het EHRM van 9 juli 2021, M.A. tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718, paragraaf 135, onder v, en de daar geciteerde rechtspraak).
1.2.    Dit betekent dat de staatssecretaris alsnog het voorgaande bij zijn belangenafweging moet betrekken en op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM een hernieuwde belangenafweging moet maken waarbij hij het belang van de Nederlandse Staat afweegt tegen het belang van de betrokken vreemdelingen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.      bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2024
282-1060