ECLI:NL:RVS:2024:1590
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit tegen bewoning garage als zelfstandige woning in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van De Bilt legde aan appellant A een last onder dwangsom op wegens het gebruik van een garage als zelfstandige woning, wat volgens het college in strijd is met het bestemmingsplan en de verleende omgevingsvergunning. Appellant A had een omgevingsvergunning voor het herbouwen van een schuur/berging, maar in de praktijk was de garage ingericht met woonvoorzieningen zoals een keuken, badkamer, zitkamer en bed.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van een overtreding en dat het college bevoegd was handhavend op te treden. Appellant A stelde dat de inrichting niet als zelfstandige woning moest worden gezien en dat de vergunning ook woonvoorzieningen omvatte. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgde de rechtbank en stelde vast dat de feitelijke situatie leidend is en dat de inrichting van het bijgebouw als zelfstandige woning kwalificeert als overtreding.
Verder oordeelde de Afdeling dat er geen bijzondere omstandigheden waren om af te zien van handhaving, omdat geen concreet zicht op legalisatie bestond en het college het legalisatieonderzoek adequaat had uitgevoerd. De last onder dwangsom was voldoende duidelijk en concreet geformuleerd, en het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat appellant A geen vergelijkbare gevallen aannemelijk had gemaakt.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de handhaving tegen de bewoning van de garage als zelfstandige woning bevestigd.