202306576/1/V3.
Datum uitspraak: 17 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 oktober 2023 in zaak nr. NL23.31647 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 27 september 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 17 oktober 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.M. Altena-Staalenhoef, advocaat te Badhoevedorp, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Wat de staatssecretaris in zijn eerste grief aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De staatssecretaris klaagt in zijn tweede grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de bewaring met ingang van 11 oktober 2023 onrechtmatig is geworden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 3 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1291, onder 3) volgt dat een bewaringsmaatregel krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 onrechtmatig wordt op de dag nadat de asielaanvraag is afgewezen. In dit geval heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling bij besluit van 11 oktober 2023 afgewezen, waardoor de bewaring met ingang van 12 oktober 2023 onrechtmatig is geworden. De grief slaagt. 3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerder moment dan 12 oktober 2023 onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank, die ervan uitging dat de bewaring onrechtmatig was met ingang van 11 oktober 2023, de staatssecretaris heeft veroordeeld tot vergoeding van de schade van de vreemdeling tot een bedrag van € 700,00. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000) en wel van € 600,00. Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De uitspraak wordt voor het overige bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 17 oktober 2023 in zaak nr. NL23.31647, voor zover de rechtbank de staatssecretaris heeft veroordeeld tot vergoeding van de schade van de vreemdeling tot een bedrag van € 700,00;
III. bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 600,00 over de periode van 12 oktober 2023 tot en met 17 oktober 2023, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2024
873-1017