ECLI:NL:RVS:2024:1054
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Raad van State bevestigt geen besluit in woonoverlastwaarschuwing burgemeester Rijswijk
De burgemeester van Rijswijk gaf op 16 juli 2020 aan appellanten een schriftelijke waarschuwing wegens vermeende woonoverlast. Appellanten maakten bezwaar tegen deze waarschuwing, maar de burgemeester verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de waarschuwing geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zou zijn.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de waarschuwing niet op een wettelijk voorschrift is gebaseerd maar op een beleidsregel, en dat er geen sprake is van een situatie waarin een rechterlijk oordeel over de waarschuwing via een alternatieve route onevenredig bezwarend of afwezig is.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de waarschuwing wel op een wettelijk voorschrift (artikel 151d, tweede lid, Gemeentewet) is gebaseerd en dat de waarschuwing een noodzakelijke voorwaarde is voor andere bestuursrechtelijke maatregelen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat noch artikel 151d van de Gemeentewet noch de APV van Rijswijk een zelfstandige grondslag voor een waarschuwing als onderdeel van een sanctieregime bieden.
De Afdeling overwoog verder dat de waarschuwing niet gelijkgesteld hoeft te worden met een besluit omdat de waarschuwing geen langdurige negatieve gevolgen heeft en er geen van de uitzonderingssituaties van rechtsbescherming zich voordoen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat de waarschuwing geen besluit is in de zin van de Awb.