ECLI:NL:RVS:2023:664
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 24 december 2019 aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen deze besluiten, dat door de staatssecretaris op 27 september 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen op 26 mei 2021 ongegrond. De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagt, omdat de rechtbank en de staatssecretaris onvoldoende rekening hadden gehouden met de emotionele banden tussen vreemdeling 1 en haar in Nederland verblijvende meerderjarige zoon. De staatssecretaris had geen volledige belangenafweging verricht zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van 27 september 2020 vernietigd. De staatssecretaris werd opgedragen binnen twaalf weken nieuwe besluiten te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden gemaakt en de vreemdelingen gehoord dienen te worden. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraak en besluiten worden vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken nieuwe besluiten nemen met een volledige belangenafweging.