ECLI:NL:RVS:2023:642
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vertrektermijn vreemdeling als gemeenschapsonderdaan in Nederland
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 16 december 2020 vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan meer had en hem opgedragen Nederland binnen 28 dagen te verlaten. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze vertrektermijn, dat bij besluit van 21 juni 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 8 april 2022 ongegrond voor het verblijfsrecht en niet-ontvankelijk voor de verwijderingsmaatregel.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de grief over de vertrektermijn gegrond was, verwijzend naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2022:3556). De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 21 juni 2021 voor zover het de vertrektermijn betrof.
De Afdeling herroept het besluit van 16 december 2020 voor zover daarin een vertrektermijn van 28 dagen is opgenomen en stelt een vertrektermijn van een maand vast. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van €3.108,00, gerelateerd aan de beroepsmatige rechtsbijstand van de vreemdeling.
Uitkomst: De vertrektermijn voor de vreemdeling wordt vastgesteld op een maand in plaats van 28 dagen.