ECLI:NL:RVS:2022:3556
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onjuiste vertrektermijn voor gemeenschapsonderdaan in Nederland
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had bij besluit van 4 augustus 2021 vastgesteld dat de Poolse vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan meer had en hem opgedragen Nederland binnen 28 dagen te verlaten. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit verwijderingsbesluit, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling eveneens ongegrond. In hoger beroep betoogde de vreemdeling dat de gehanteerde vertrektermijn van vier weken in strijd is met artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn, waarin een minimale vertrektermijn van een maand is voorgeschreven.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat een termijn van vier weken niet gelijk is aan een termijn van een maand volgens de Europese regelgeving en dat artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 deze richtlijn niet correct implementeert. De Afdeling paste artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn rechtstreeks toe en oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte een vertrektermijn van vier weken had gehanteerd. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het besluit van 15 november 2021 werd herroepen voor zover het de vier weken termijn betrof.
De Afdeling bepaalde dat de vertrektermijn voor de vreemdeling minimaal een maand bedraagt en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De uitspraak geldt niet voor onderdanen uit derde landen die niet onder de Verblijfsrichtlijn vallen en de Afdeling benadrukt dat het aan de wetgever is om de geconstateerde lacune in de wetgeving te repareren.
Uitkomst: De vertrektermijn voor de vreemdeling wordt vastgesteld op minimaal een maand in plaats van vier weken.