ECLI:NL:RVS:2023:490
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wob-verzoek inzake stukken contactverbod strafzaak
De appellant is veroordeeld voor belaging en had voorafgaand aan de uitspraak een contactverbod van vijf jaar gevorderd gekregen door de officier van justitie. De appellant verzocht de minister van Justitie en Veiligheid om openbaarmaking van de stukken die ten grondslag liggen aan deze vordering, stellende dat deze stukken ontbreken in het strafdossier en er sprake is van achtergehouden bewijs. De minister wees dit verzoek af omdat processtukken in strafdossiers niet onder de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) vallen, maar onder artikel 30 van Pro het Wetboek van Strafvordering (WvSv), waardoor de appellant deze stukken via de OvJ kan verkrijgen.
De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep van de appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde de appellant dat zijn verzoek niet aan het WvSv, maar aan de Wob getoetst had moeten worden. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het verkrijgen van stukken uit een strafdossier inderdaad onder het WvSv valt en dat de appellant zijn standpunt in de strafprocedure had kunnen aanvoeren.
De Afdeling concludeerde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Wob-verzoek buiten de reikwijdte van de Wob valt en bevestigde de afwijzing van het verzoek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het Wob-verzoek wordt bevestigd.