ECLI:NL:RVS:2023:4271
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing asielverblijfsvergunning ondanks onvoldoende onderzoeksverplichting staatssecretaris
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 14 oktober 2021 de aanvraag van een vreemdeling uit Senegal om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid bescherming behoefde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met het referentiekader van de vreemdeling en zijn onderzoeks- en samenwerkingsverplichting onvoldoende had ingevuld.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat de bewijslast bij de vreemdeling ligt en dat hij niet verplicht was om contact te zoeken met derden zoals een journalist of een helper van de vreemdeling. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris hierin gelijk heeft en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de onderzoeks- en samenwerkingsverplichting niet was nagekomen.
Desondanks werd het hoger beroep ongegrond verklaard omdat de rechtbank ook had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met het referentiekader van de vreemdeling en onvoldoende had gemotiveerd dat de vreemdeling beperkte kennis heeft over de LHBTI-gemeenschap en hun positie in Nederland. De staatssecretaris had hiertegen geen verweer gevoerd.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 837,00.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering en het rekening houden met het perspectief van de vreemdeling bij asielaanvragen op grond van seksuele geaardheid.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de gronden.