ECLI:NL:RVS:2023:4012
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende belangenafweging
De vreemdeling uit Iran verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de staatssecretaris op 9 oktober 2021 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond op 9 mei 2022. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling vreesde vervolging vanwege de negatieve aandacht die haar oudste dochter kreeg bij de Iraanse autoriteiten na een televisieoptreden. De staatssecretaris vond deze vrees onvoldoende zwaarwegend en baseerde zich op het ambtsbericht van 2017 dat familiebestraffing niet voorkomt. De Raad van State oordeelde dat deze motivering onvoldoende was, mede omdat het nieuwere ambtsbericht van 2021 voorbeelden gaf van intimidatie van familieleden.
Daarnaast stelde de vreemdeling terecht dat de rechtbank en staatssecretaris onvoldoende een belangenafweging hadden gemaakt op grond van artikel 8 EVRM Pro. De Afdeling stelde dat een volledige belangenafweging vereist is en dat de rechtbank dit niet had gedaan.
De overige grieven van de vreemdeling werden niet gegrond verklaard. De Raad van State vernietigde het besluit en het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 2.511,00.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel en het vonnis van de rechtbank worden vernietigd wegens onvoldoende motivering en belangenafweging.