ECLI:NL:RVS:2023:3764
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding voor vochtschade en scheurvorming door constructief gebrek
De zaak betreft het hoger beroep van de erfgenamen van appellant tegen de afwijzing van schadevergoeding voor vochtschade (schades 3 en 4) en scheurvorming (schade 5) aan een woning in Winsum, Groningen. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen had eerder een vergoeding toegekend voor andere schades, maar de vergoeding voor deze specifieke schades afgewezen omdat deskundigen een constructief gebrek en verkeerde afwerking als oorzaak hadden vastgesteld.
De deskundigenrapporten van Van ’t Hof en Nabben wezen op een koudebrug veroorzaakt door stalen balkonliggers die condens en vochtschade in de spouwmuur veroorzaken, en een starre cementgebonden voegmortel als oorzaak van de scheurvorming in de badkamer. Het Instituut weerlegde hiermee het wettelijke bewijsvermoeden dat de schade door mijnbouwactiviteiten zou zijn veroorzaakt.
De rechtbank stelde vast dat de deskundigen met voldoende zekerheid een andere uitsluitende oorzaak hadden aangetoond en dat appellant onvoldoende concrete tegenargumenten had aangedragen. Ook het hoger beroep kon niet overtuigen, ondanks betwisting van ventilatieroosters en timing van de schade. De Raad van State bevestigt de uitspraak en oordeelt dat het Instituut het bewijsvermoeden terecht heeft weerlegd en de schadevergoeding voor schades 3, 4 en 5 terecht is afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van schadevergoeding voor vochtschade en scheurvorming wordt bevestigd.