ECLI:NL:RVS:2023:3566

Raad van State

Datum uitspraak
21 september 2023
Publicatiedatum
21 september 2023
Zaaknummer
202202331/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 14, tweede lid, Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onterecht niet-ontvankelijkheid in zaak machtiging voorlopig verblijf

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 3 augustus 2017 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 20 augustus 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep niet-ontvankelijk omdat de vreemdeling inmiddels in Nederland verbleef en de machtiging niet meer nodig zou zijn voor toegang.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. De machtiging tot voorlopig verblijf heeft immers ook het rechtsgevolg dat de houder ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd krijgt onder dezelfde beperkingen. Hierdoor heeft de vreemdeling wel degelijk belang bij het beroep.

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 837,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard, uitspraak rechtbank vernietigd en zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

202202331/1/V1.
Datum uitspraak: 21 september 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 maart 2022 in zaak nr. 20/7029 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 20 augustus 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling betoogt in zijn grieven terecht dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijkheid heeft verklaard vanwege het ontbreken van belang. De rechtbank is tot dat oordeel gekomen omdat de vreemdeling inmiddels in Nederland verblijft en de machtiging tot voorlopig verblijf, die is bedoeld voor de toegang tot Nederland, dus niet meer nodig is. Het rechtsgevolg van een machtiging tot voorlopig verblijf is echter meer dan alleen toestemming om toegang te krijgen tot Nederland. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 23 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1776, onder 1. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 verleent de staatssecretaris de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf namelijk ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder dezelfde beperking als die waaronder de staatssecretaris de machtiging tot voorlopig verblijf heeft verleend. De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling geen belang meer heeft bij zijn beroep nu hij al in Nederland is.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier in hoger beroep geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 maart 2022 in zaak nr. 20/7029;
III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.     veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. Nuboer, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nuboer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2023
927