ECLI:NL:RVS:2022:1776
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken gezinsverband
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 mei 2020 de aanvraag van vreemdeling 1 om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep ongegrond verklaarde, werd hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De staatssecretaris stelde dat de vreemdelingen geen belang meer hadden bij de beoordeling van het hoger beroep, omdat vreemdeling 1 inmiddels in Nederland verbleef. Dit werd verworpen omdat de machtiging tot voorlopig verblijf ook de grondslag vormt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen aanleiding gaf tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, die terecht had geoordeeld dat de vreemdelingen sinds 2017 niet meer in gezinsverband samenleven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.