ECLI:NL:RVS:2023:3333
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek opheffing ongewenstverklaring vreemdeling
De vreemdeling had bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek ingediend tot opheffing van zijn ongewenstverklaring, dat op 15 juni 2020 werd afgewezen. Hiertegen maakte hij bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard op 21 december 2020. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 6 september 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij voerde aan dat eerdere uitspraken van de Afdeling van 7 maart 2022 en 6 april 2022 in zijn voordeel zouden moeten gelden. De Raad van State oordeelde echter dat deze uitspraken niet van toepassing zijn omdat het hier gaat om een ongewenstverklaring die is uitgevaardigd na de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn, terwijl de vreemdeling een afgeleid verblijfsrecht op grond van Unierecht bezat en daardoor buiten de werkingssfeer van die richtlijn valt.
De Raad van State concludeerde dat de ongewenstverklaring niet gelijkgesteld kan worden met een inreisverbod in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Het hoger beroep bevatte geen vragen die rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin dienen, zodat geen nadere motivering nodig was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring wordt bevestigd.