ECLI:NL:RVS:2023:3333

Raad van State

Datum uitspraak
31 augustus 2023
Publicatiedatum
31 augustus 2023
Zaaknummer
202205482/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 67 Vw 2000Art. 91 lid 2 Vw 2000Art. 11 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek opheffing ongewenstverklaring vreemdeling

De vreemdeling had bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek ingediend tot opheffing van zijn ongewenstverklaring, dat op 15 juni 2020 werd afgewezen. Hiertegen maakte hij bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard op 21 december 2020. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 6 september 2022 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij voerde aan dat eerdere uitspraken van de Afdeling van 7 maart 2022 en 6 april 2022 in zijn voordeel zouden moeten gelden. De Raad van State oordeelde echter dat deze uitspraken niet van toepassing zijn omdat het hier gaat om een ongewenstverklaring die is uitgevaardigd na de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn, terwijl de vreemdeling een afgeleid verblijfsrecht op grond van Unierecht bezat en daardoor buiten de werkingssfeer van die richtlijn valt.

De Raad van State concludeerde dat de ongewenstverklaring niet gelijkgesteld kan worden met een inreisverbod in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Het hoger beroep bevatte geen vragen die rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin dienen, zodat geen nadere motivering nodig was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring wordt bevestigd.

Uitspraak

202205482/1/V2.
Datum uitspraak: 31 augustus 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 september 2022 in zaak nr. 20/9509 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2020 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.
Bij besluit van 21 december 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Anders dan de vreemdeling betoogt, kan hij geen geslaagd beroep doen op de uitspraken van de Afdeling van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:665, en 6 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:994. In deze uitspraken gaat het namelijk om een nationaalrechtelijke ongewenstverklaring in de zin van artikel 67 van Pro de Vw 2000 die uitgevaardigd is voor de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn en daarna moet worden aangemerkt als inreisverbod in de zin van artikel 11 van Pro die richtlijn. In deze zaak gaat het echter om een nationaalrechtelijke ongewenstverklaring die is uitgevaardigd na de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn aan een vreemdeling, omdat hij een aan het Unierecht ontleend afgeleid verblijfsrecht bezat, waardoor hij van de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn was uitgezonderd. Daarom kan deze ongewenstverklaring niet worden gelijkgesteld met een uitgevaardigd inreisverbod in de zin van de Terugkeerrichtlijn.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2023
307-1024