ECLI:NL:RVS:2023:3239

Raad van State

Datum uitspraak
25 augustus 2023
Publicatiedatum
24 augustus 2023
Zaaknummer
202104646/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 18 mei 2020 de aanvragen van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakten de vreemdelingen bezwaar, dat op 2 februari 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen eveneens ongegrond op 7 juli 2021. De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde, omdat zij enkel had vastgesteld dat er geen hechte persoonlijke banden bestonden met de in Nederland verblijvende tante. De Afdeling benadrukte dat de staatssecretaris bij een beroep op artikel 8 EVRM Pro altijd een volledige belangenafweging moet maken, waarin alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken. Deze belangenafweging ontbrak in het bestreden besluit.

Daarom vernietigde de Raad van State zowel het vonnis van de rechtbank als het besluit van de staatssecretaris. De staatssecretaris wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de vreemdelingen worden gehoord conform artikel 7:2 Awb Pro, tenzij een uitzondering van toepassing is. Tevens moet de staatssecretaris de proceskosten vergoeden. Het griffierecht hoeft niet vergoed te worden omdat dit niet geheven is in hoger beroep.

Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens onvoldoende belangenafweging en er moet een nieuw besluit worden genomen.

Uitspraak

202104646/1/V1.
Datum uitspraak: 25 augustus 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 7 juli 2021 in zaak nr. 21/781 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 mei 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 2 februari 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In de vierde grief klagen de vreemdelingen terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hun beroep op artikel 8 van Pro het EVRM niet slaagt. De rechtbank heeft deze overweging namelijk gebaseerd op haar oordeel dat er geen hechte persoonlijke banden bestaan tussen de vreemdelingen en hun in Nederland verblijvende tante. Maar de rechtbank en de staatssecretaris kunnen niet meer volstaan met deze vaststelling. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraken van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, onder 9.3.1, en 23 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3935, onder 1. In die uitspraken heeft de Afdeling overwogen dat de staatssecretaris bij een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM altijd een alle relevante feiten en omstandigheden omvattende belangenafweging moet verrichten. Deze belangenafweging heeft de staatssecretaris niet verricht. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdelingen verder hebben aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 2 februari 2021 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen. Daarbij moet de staatssecretaris uitgaan van de feiten en omstandigheden die zich op dat moment voordoen. Gelet hierop moet de staatssecretaris de vreemdelingen op de voet van artikel 7:2 van Pro de Awb horen, tenzij zich een uitzondering als genoemd in artikel 7:3, aanhef en onder c, d of e, van de Awb voordoet. Met inachtneming van de daarbij vergaarde feiten en omstandigheden moet de staatssecretaris opnieuw een standpunt innemen over de vraag of tussen betrokkenen hechte persoonlijke banden bestaan en moet hij de vereiste belangenafweging verrichten. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier in hoger beroep geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 7 juli 2021 in zaak nr. 21/781;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 2 februari 2021, V-[…] en V-[…];
V. draagt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.511,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdelingen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Wilde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2023
598