ECLI:NL:RVS:2023:2116
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep na toekenning Nederlandse nationaliteit en proceskostenveroordeling
Verzoeker had een verzoek ingediend om de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen, dat op 4 juni 2020 door de staatssecretaris werd afgewezen. Het bezwaar van verzoeker tegen deze afwijzing werd op 13 augustus 2020 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het daarop ingestelde beroep op 24 augustus 2021 eveneens ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de behandeling van het hoger beroep heeft de staatssecretaris op 2 maart 2023 het eerdere besluit ingetrokken en het bezwaar alsnog gegrond verklaard, waarbij werd besloten verzoeker voor te dragen voor de Nederlandse nationaliteit aan de Koning. Dit volgde op een beleidswijziging naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie over het Chavez-Vilchez-verblijfsrecht.
Naar aanleiding van deze wijziging trok verzoeker het hoger beroep in en verzocht de Afdeling om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris verzoeker tegemoet is gekomen en dat de proceskosten daarom vergoed moeten worden. De Afdeling veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht na intrekking van het hoger beroep.