ECLI:NL:RVS:2023:1750
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling zonder voorafgaand recht op advocaat
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 20 januari 2023 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die dit ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. In hoger beroep betoogde de vreemdeling dat hij voorafgaand aan de maatregel had moeten worden gehoord in het bijzijn van een advocaat, verwijzend naar paragraaf A5/6.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat deze paragraaf niet van toepassing is op vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, maar alleen op inbewaringstelling volgens artikel 59 e.v. De Afdeling bevestigde dat het verschil in rechtsbijstandbeleid geen ongerechtvaardigd onderscheid vormt en ook niet in strijd is met het Unierechtelijk gelijkheidsbeginsel, mede vanwege het belang van grensbewaking en de aard van de procedure.
De vreemdeling stelde een prejudiciële vraag voor, maar de Afdeling vond geen aanleiding deze te stellen gezien de duidelijke jurisprudentie van het Hof van Justitie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.