ECLI:NL:RVS:2023:1689
Raad van State
- Hoger beroep
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing handhaving mestuitrijden zonder natuurvergunning bij melkveehouderij
Het college van gedeputeerde staten van Overijssel wees het verzoek van MOB en Leefmilieu af om handhavend op te treden tegen een melkveehouderij die mest uitrijdt zonder natuurvergunning. De veehouderij beschikt over een natuurvergunning voor een veebestand en bemest 14 percelen die sinds de referentiedatum (10 juni 1994) onafgebroken agrarisch bestemd zijn.
De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar het feitelijk bemesten sinds de referentiedatum en de mogelijke toename van stikstofdepositie, en vernietigde het besluit van 13 juli 2021. Het college en de veehouderij stelden hoger beroep in, waarbij het college betoogde dat de termijn voor nader onderzoek te kort was en dat de referentiesituatie ontleend moet worden aan het planologisch regime en niet aan feitelijk gebruik.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het college moest nagaan of de percelen op de referentiedatum als landbouwgrond in gebruik waren. De Afdeling bevestigde dat de referentiesituatie kan worden ontleend aan het planologisch regime mits de gronden als landbouwgrond werden gebruikt. Gelet op nadere stukken van het college is uitgesloten dat het bemesten leidt tot significante effecten op Natura 2000-gebieden, waardoor geen natuurvergunning vereist is. Het hoger beroep van het college is gegrond, dat van de veehouderij en het incidenteel hoger beroep van MOB en Leefmilieu ongegrond. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand, waarmee de handhavingsprocedure is beëindigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, het hoger beroep van de veehouderij en het incidenteel hoger beroep van MOB en Leefmilieu ongegrond, en de rechtsgevolgen van het besluit van 13 juli 2021 blijven in stand.