ECLI:NL:RVS:2023:168
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende medische urgentie en niet-toepassing hardheidsclausule
De appellant, woonachtig met zijn echtgenote en zeven minderjarige kinderen in een kleine woning op de derde verdieping, vroeg een urgentieverklaring aan wegens medische problemen die het traplopen bemoeilijken en vanwege de geringe woonruimte. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af op basis van medische adviezen van de GGD, die geen ernstige beperking in traplopen vaststelden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het college zich terecht op de GGD-adviezen mocht baseren en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was. Appellant stelde in hoger beroep dat de medische adviezen onzorgvuldig waren en dat hij geen inzage had gekregen in de onderliggende medische stukken, en dat zijn woonsituatie aanleiding gaf tot toepassing van de hardheidsclausule.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college de adviezen van de GGD op zorgvuldige wijze heeft ingewonnen en dat appellant onvoldoende concrete argumenten had aangevoerd om deze te betwisten. Ook was appellant in staat gesteld zijn medisch dossier in te zien. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de situatie van appellant niet uitzonderlijk genoeg was om af te wijken van het beleid.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.