ECLI:NL:RVS:2023:1485
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake asielverblijfsvergunning na hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 26 oktober 2021 een aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 16 februari 2022 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep richtte zich onder meer op rechtsvragen die reeds eerder door de Afdeling waren beantwoord, zoals het onderscheid tussen een verzoek om bestuurlijke heroverweging en een opvolgende asielaanvraag, en de verplichting van de staatssecretaris om te beslissen op nadien ingediende verzoeken.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die beantwoording in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming vereisten. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.