ECLI:NL:RVS:2023:1163
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering bewonersparkeervergunning wegens inpandige garage als stallingsplaats
Appellant vroeg een bewonersparkeervergunning aan voor zijn adres in Amsterdam. Het college weigerde deze op grond van de Parkeerverordening 2013, omdat appellant al beschikte over twee stallingsplaatsen: een inpandige garage en een oprit. De rechtbank oordeelde dat de garage en oprit terecht als stallingsplaatsen waren aangemerkt, ondanks dat appellant de garage als berging gebruikte en de oprit deels als tuin.
In hoger beroep betoogde appellant dat de inpandige garage niet als stallingsplaats mag worden beschouwd omdat deze al vóór de invoering van betaald parkeren verbouwd was en niet meer als garage bruikbaar is. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de uitzondering in de toelichting bij artikel 9 van Pro de verordening niet van toepassing is. De oprit werd terecht als stallingsplaats aangemerkt, gelet op het bestemmingsplan en de planregels.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van het college en droeg het college op een nieuw besluit te nemen waarin duidelijk wordt of de inpandige garage voldoet aan de uitzondering. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de bewonersparkeervergunning is vernietigd.