ECLI:NL:RVS:2023:1146
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit invordering dwangsom bedrijfsafval Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde aan appellante, handelend onder de naam van haar bedrijf, een last onder dwangsom op wegens het aanbieden van bedrijfsafval in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010. Naar aanleiding van een controle op 18 januari 2022 werd een dwangsom van € 1.000,00 ingevorderd. Appellante maakte bezwaar en stelde dat de vaststelling dat de vuilniszakken uit haar onderneming afkomstig waren onvoldoende was, omdat geen nader onderzoek naar de inhoud had plaatsgevonden en de zakken mogelijk afkomstig waren van een verhuizing van een bewoner van een door haar gekocht pand.
De Raad van State oordeelde dat de toezichthouders weliswaar hadden vastgesteld dat de vuilniszakken uit een auto van appellante kwamen, maar dat dit niet uitsluit dat de zakken niet uit haar onderneming afkomstig waren. Omdat de inhoud van de zakken niet was vastgesteld en de verklaring van appellante niet werd weersproken door het proces-verbaal, was de overtreding onvoldoende bewezen. Hierdoor was het besluit tot invordering van de dwangsom onrechtmatig.
De Raad van State vernietigde het besluit van 4 juli 2022 en herroept het invorderingsbesluit van 26 januari 2022. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot invordering van de dwangsom wordt herroepen.