ECLI:NL:RVS:2022:524
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongewenstverklaring vreemdeling na afwijzing mvv-aanvraag wegens ernstige strafrechtelijke antecedenten
De vreemdeling, met de Surinaamse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn partner in Nederland te verblijven. De minister van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag af vanwege een eerdere veroordeling in Panama voor medeplegen van cocaïne-invoer en valsheid in antecedentenverklaringen. Tevens werd de vreemdeling ongewenst verklaard.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris niet alle relevante feiten had meegewogen en dat de valse verklaringen ten onrechte waren betrokken bij de belangenafweging. De rechtbank vernietigde de besluiten en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.
De Raad van State stelt echter vast dat de staatssecretaris terecht het gedrag van de vreemdeling na het misdrijf heeft betrokken, waaronder het valselijk invullen van antecedentenverklaringen en het voorwenden van een relatie om toegang te verkrijgen. Ook is het juist dat de relatie op afstand voortduurde door het handelen van de vreemdeling zelf.
De medische situatie en financiële mogelijkheden van de partner zijn meegewogen, maar wegen niet zwaarder dan het belang van de openbare orde. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, en de beroepen worden afgewezen.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdeling worden ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvraag en ongewenstverklaring blijven in stand.