ECLI:NL:RVS:2022:476
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning na hoger beroep staatssecretaris
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 4 oktober 2019 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Tegen dit besluit maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 9 december 2019 ongegrond werd verklaard. De vreemdeling stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 10 juni 2021 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde maar de rechtsgevolgen in stand liet.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op € 759,00, en werd een griffierecht van € 541,00 opgelegd. De uitspraak werd uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Raad van State op 16 februari 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.