ECLI:NL:RVS:2022:3899
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.J.W.P. van Gastel
- H. Benek
- Rechtspraak.nl
Vermindering bestuurlijke boetes voor woningonttrekking wegens overschrijding redelijke termijn
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellanten, gezamenlijke eigenaren van drie woningen in Amsterdam, bestuurlijke boetes van €61.500 per persoon op wegens onttrekking van woonruimte zonder vergunning. De boetes betroffen de woningen aan drie locaties die continu aan toeristen werden verhuurd, wat volgens het college in strijd was met artikel 21 van Pro de Huisvestingswet 2014.
De rechtbank Amsterdam vernietigde de boetes voor één woning en stelde de boetes voor de andere twee woningen vast op €41.000 per persoon. Appellanten gingen hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat de boetes terecht waren opgelegd voor de woningen aan locatie 2 en locatie 3, omdat deze panden daadwerkelijk voor toeristische verhuur werden gebruikt en niet als hoofdverblijf dienden.
Appellanten voerden aan dat er persoonlijke spullen aanwezig waren en dat er sprake was van vakantieverhuur, maar de Raad vond dit onvoldoende om het vermoeden van hoofdverblijf te weerleggen. Ook een verzoek tot matiging van de boetes wegens financiële omstandigheden werd afgewezen omdat onvoldoende bewijs werd geleverd. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met 19 maanden, waardoor de boetes met 20% werden verminderd tot €32.800 per persoon.
De Raad vernietigde en herroept de eerdere uitspraken voor de woningen aan locatie 2 en locatie 3 en stelde de boetes definitief vast op het lagere bedrag. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: De bestuurlijke boetes werden verminderd tot €32.800 per persoon wegens overschrijding van de redelijke termijn.