ECLI:NL:RVS:2022:3792
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM na belangenafweging
De vreemdeling, geboren in 1939 en afkomstig uit Suriname, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro, vanwege haar verblijf bij haar meerderjarige dochter in Nederland. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat er volgens hem geen beschermenswaardig familieleven bestond.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat alleen haar dochter de benodigde zorg kon bieden, maar dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met het misbruik door een zoon in Suriname en de emotionele band met de dochter. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat een nieuwe belangenafweging moest plaatsvinden.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat geen belangenafweging nodig was als er geen beschermenswaardig familieleven bestaat, maar de Afdeling verwierp dit en bevestigde dat altijd een belangenafweging moet worden gemaakt. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard. De Afdeling bevestigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.