ECLI:NL:RVS:2022:3570
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende middelen vader
De vreemdelingen, minderjarig en met de Marokkaanse nationaliteit, wilden bij hun vader in Nederland verblijven. De staatssecretaris wees hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf af omdat de vader niet voldeed aan het middelenvereiste, aangezien hij een uitkering ontving en niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling van arbeidsinschakeling.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing, maar de vreemdelingen gingen in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de staatssecretaris onjuist had gemotiveerd waarom de vader niet in aanmerking kwam voor vrijstelling van het middelenvereiste. De vader was sinds 2017 ontheven van de arbeidsverplichting tot 2021 en kampte met psychiatrische problematiek, wat onvoldoende was meegewogen.
Daarnaast oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris de vreemdelingen en hun vader niet had gehoord in bezwaar, terwijl dit gezien de omstandigheden wel had moeten gebeuren. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris vernietigd, en werd de zaak terugverwezen voor nieuwe besluitvorming waarbij de betrokkenen worden gehoord.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdelingen. De Afdeling zag af van verdere beoordeling van andere aangevoerde grieven omdat het besluit op andere gronden werd vernietigd.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe besluitvorming met hoorplicht.