ECLI:NL:RVS:2022:3561
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning na intrekking besluit
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris op 18 juni 2020 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 11 november 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, maar ook dit beroep werd op 4 juni 2021 ongegrond verklaard.
De vreemdeling stelde daarop hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Echter, bij brief en besluit in juni 2022 trok de staatssecretaris het bestreden besluit in, verklaarde het bezwaar alsnog gegrond en verleende alsnog de gevraagde verblijfsvergunning. De staatssecretaris bood tevens aan het betaalde griffierecht en proceskosten te vergoeden.
De vreemdeling handhaafde het hoger beroep en verzocht om vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vergoeding van proceskosten. De Afdeling oordeelde dat de vreemdeling met de verlening van de vergunning heeft bereikt wat zij met het hoger beroep beoogde, en dat er onvoldoende belang is bij een inhoudelijke beoordeling. Omdat de vergunning werd verleend vanwege nieuwe medische informatie die de staatssecretaris niet eerder kende, was er sprake van een veranderde omstandigheid en geen tegemoetkoming. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd de staatssecretaris niet tot vergoeding van proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de vergunning inmiddels is verleend vanwege nieuwe medische informatie.