ECLI:NL:RVS:2022:348

Raad van State

Datum uitspraak
2 februari 2022
Publicatiedatum
3 februari 2022
Zaaknummer
202104511/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 AwbArt. 83 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering rapport

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 juni 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De vreemdeling voerde aan dat de rechtbank ten onrechte het deskundigenrapport van LGBT Asylum Support niet had betrokken bij haar oordeel. De rechtbank had het rapport weliswaar in overweging genomen, maar nagelaten de staatssecretaris te vragen welke waarde hij aan het rapport hechtte en wat dat voor zijn besluit betekende. Dit was in strijd met de vereisten van een goede procesorde en artikel 83 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank had moeten toetsen wat het rapport betekent voor het besluit van de staatssecretaris en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. De zaak werd terugverwezen voor herbehandeling waarbij het oordeel van de Raad in acht moet worden genomen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbehandeling.

Uitspraak

202104511/1/V1.
Datum uitspraak: 2 februari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 juli 2021 in zaak nr. NL21.9350 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij mondelinge uitspraak van 5 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.M. Zuidhoek, advocaat te Gieten, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij biseksueel is en is gevlucht uit Uganda, omdat bekend was geworden dat zij een relatie had met een vrouw.
2.       In haar grieven betoogt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte het door haar in beroep overgelegde rapport van ‘LGBT Asylum Support’ van 4 juli 2021 (hierna: het rapport) buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens de vreemdeling is ‘LGBT Asylum Support’ een deskundige en mag de staatssecretaris alleen gemotiveerd van het rapport afwijken.
2.1.    De rechtbank heeft bij haar oordeel rekening gehouden met het rapport en dat dus niet buiten beschouwing gelaten. Zij heeft echter ten onrechte niet aan de staatssecretaris gevraagd welke waarde hij aan het rapport hecht en wat dat betekent voor zijn besluit om pas dan dat standpunt te toetsen. Omdat de rechtbank niet heeft geoordeeld dat het meenemen van het rapport in strijd is met de goede procesorde en zij evenmin heeft geoordeeld dat het rapport niet relevant kan zijn voor het besluit, had zij dat wel moeten doen. Dat volgt uit artikel 83 van Pro de Vw 2000. De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld en beslist, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de mondelinge uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 juli 2021 in zaak nr. NL21.9350;
III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.     veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2022
282-927