ECLI:NL:RVS:2022:3470

Raad van State

Datum uitspraak
29 november 2022
Publicatiedatum
29 november 2022
Zaaknummer
202104082/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 24 april 2020 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling, afkomstig uit Syrië, wilde verblijven bij haar meerderjarige dochter in Nederland, beroepend op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing ongegrond, stellende dat er geen meer dan normale emotionele banden bestonden.

De vreemdeling en referent stelden in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte deze belangenafweging had gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris bij een beroep op artikel 8 EVRM Pro altijd een volledige belangenafweging moet verrichten, hetgeen niet was gebeurd. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd daarom vernietigd.

De staatssecretaris werd opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de feiten en omstandigheden op dat moment in acht worden genomen en de vreemdeling en referent worden gehoord, tenzij een uitzondering van toepassing is. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

202104082/1/V1.
Datum uitspraak: 29 november 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 mei 2021 in zaak nr. 20/8950 in het geding tussen:
de vreemdeling en referent
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 5 november 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling en referent gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 mei 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling en referent ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en referent, vertegenwoordigd door mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Purmerend, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling is afkomstig uit Syrië en beoogt verblijf bij haar meerderjarige dochter (referent), op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat volgens hem geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en referent bestaat. De rechtbank is de staatssecretaris hierin gevolgd.
2.       In hun eerste grief klagen de vreemdeling en referent terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hun beroep op artikel 8 van Pro het EVRM niet slaagt. De rechtbank heeft deze overweging namelijk gebaseerd op haar oordeel dat er geen ‘more than the normal emotional ties’ bestaan tussen de vreemdeling en de in Nederland verblijvende referent. De rechtbank en de staatssecretaris kunnen echter niet meer volstaan met deze vaststelling. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, onder 9.3.1. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de staatssecretaris bij een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM altijd een alle relevante feiten en omstandigheden omvattende belangenafweging moet verrichten. Deze belangenafweging heeft de staatssecretaris niet verricht.
De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder aanvoert te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 5 november 2020 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen. Daarbij moet de staatssecretaris uitgaan van de feiten en omstandigheden die zich op dat moment voordoen. Gelet hierop moet de staatssecretaris de vreemdeling en referent op de voet van artikel 7:2 van Pro de Awb horen, tenzij zich een uitzondering als genoemd in artikel 7:3, aanhef en onder c, d of e, van de Awb voordoet. Met inachtneming van de daarbij vergaarde feiten en omstandigheden moet de staatssecretaris opnieuw een standpunt innemen over de vraag of tussen betrokkenen meer dan normale emotionele banden bestaan en moet hij de vereiste belangenafweging verrichten. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 mei 2021 in zaak nr. 20/8950;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 5 november 2020, V-[…];
V.      draagt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI.     veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII.     gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
382-988