ECLI:NL:RVS:2022:3198
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf voor ouders uit Eritrea
De vreemdelingen, afkomstig uit Eritrea, hebben verzoeken ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf te verkrijgen om bij hun dochter, die als referent fungeert, te verblijven. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvragen afgewezen op grond van een belangenafweging waarbij het familie- en gezinsleven niet als beschermenswaardig werd beschouwd. De rechtbank heeft deze afwijzingen bevestigd en de beroepen ongegrond verklaard.
In hoger beroep betoogden de vreemdelingen onder meer dat de belangenafweging onjuist was en dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld hadden moeten worden over de verhouding tussen artikel 8 EVRM Pro en artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris terecht rekening hield met het feit dat de referent meerderjarig was en dat de belangenafweging zorgvuldig was gemotiveerd. Daarnaast was er geen aanleiding voor prejudiciële vragen, omdat de situatie duidelijk was en de beoordelingsmarge van artikel 17 van Pro de richtlijn gelijk is aan die van artikel 8 EVRM Pro.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.