ECLI:NL:RVS:2022:2837
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 21 februari 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af en weigerde tevens ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen en uitzetting achterwege te laten. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 2 juni 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 11 februari 2021 eveneens ongegrond.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagde, omdat zij onvoldoende rekening hield met de emotionele banden tussen de vreemdeling en haar in Nederland verblijvende kinderen. De staatssecretaris had geen volledige belangenafweging gemaakt, zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie.
De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris werd opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden verricht en de vreemdeling op de juiste wijze moet worden gehoord. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met een volledige belangenafweging.