ECLI:NL:RVS:2022:2595
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake intrekking asielvergunning wegens schijnscheiding
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 15 december 2020 de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling in en wees zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af, op grond van vermoedens van een schijnscheiding. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, omdat zij vond dat de staatssecretaris onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een schijnscheiding.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat het individueel ambtsbericht van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) wel degelijk voldoende inzichtelijk en concludent was en dat de rechtbank de bewijsstukken onvoldoende in samenhang had bezien. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat hoewel het ambtsbericht vermeldde dat de betrouwbaarheid van de bron niet kon worden vastgesteld, de MIVD de bron betrouwbaar achtte en de vreemdeling onvoldoende concrete aanknopingspunten had gegeven om dit te betwijfelen.
Voorts stelde de Afdeling dat de staatssecretaris voldoende feitelijke aanknopingspunten had geleverd door het ambtsbericht, de informatie van het Openbaar Ministerie en de verklaringen van de vreemdeling tijdens het intrekkingsgehoor gezamenlijk te wegen. Hierdoor was aan de primaire bewijslast voldaan en lag de bewijslast nu bij de vreemdeling om het bewijs te weerleggen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug voor hernieuwde behandeling waarbij de rechtbank het oordeel van de Afdeling in acht moet nemen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.