ECLI:NL:RVS:2022:2512
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 september 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris dit besluit bij besluit van 18 juni 2021. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die dit beroep op 28 april 2022 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) niet slaagt, omdat er onvoldoende rekening is gehouden met de emotionele banden tussen de vreemdeling en zijn in Nederland verblijvende moeder. De staatssecretaris heeft niet de vereiste volledige belangenafweging gemaakt zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie van de Afdeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt daarom het besluit van 18 juni 2021 en de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij de actuele feiten en omstandigheden worden betrokken en de vreemdeling op de juiste wijze wordt gehoord. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, en de staatssecretaris wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met een volledige belangenafweging.