ECLI:NL:RVS:2022:2175
Raad van State
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over terugvordering zorgtoeslag en kindgebonden budget wegens toeslagpartnerschap
De zaak betreft de vaststelling en terugvordering van zorgtoeslag en kindgebonden budget voor de jaren 2018 en 2019 aan appellante. De Belastingdienst heeft bij besluiten van maart 2019 de toeslagen op nihil vastgesteld omdat zij de zus van appellante als toeslagpartner aanmerkte, waardoor het gezamenlijke inkomen te hoog was voor toeslagrecht. Appellante maakte bezwaar en stelde dat de toeslagpartnerschap onterecht was omdat zij en haar zus geen gezamenlijke huishouding voerden en geen kosten deelden.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst terecht de zus als toeslagpartner aanmerkte op grond van de Awir, omdat zij op hetzelfde adres stonden ingeschreven met een minderjarig kind. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en stelt dat de feitelijke leefsituatie niet relevant is voor het toeslagpartnerschap. Wel oordeelt de Afdeling dat de Belastingdienst de terugvordering onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat het toeslagpartnerschap met terugwerkende kracht voor het hele jaar 2018 geldt, terwijl de zus slechts 22 dagen zonder broer op het adres stond ingeschreven.
De Afdeling draagt de Belastingdienst op binnen zes weken de besluiten te herzien en te motiveren, waarbij ook moet worden beoordeeld of de terugvordering niet onevenredig is in verhouding tot de doelen van de besluiten. In de einduitspraak zal worden beslist over proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Belastingdienst moet de terugvordering van toeslagen heroverwegen en beter motiveren binnen zes weken.