Uitspraak
Datum uitspraak: 29 juni 2022
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde aan appellant een bestuurlijke boete van €20.250 op wegens overtreding van artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet, gerelateerd aan zestien gebreken in een bovenwoning die hij kamergewijs verhuurt. Tevens werd een last onder dwangsom opgelegd om herstel van deze gebreken af te dwingen.
Na diverse inspecties, bezwaarprocedures en rechtbankuitspraken werd duidelijk dat niet alle gebreken hersteld waren en dat het college de boete en dwangsommen had aangepast. De rechtbank vernietigde enkele besluiten vanwege gebrekkige motivering en onduidelijkheid over recidive. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde hoger beroepen en incidenteel hoger beroep.
De Afdeling oordeelde dat het college terecht de boete en last onder dwangsom oplegde, maar matigde de boete tot €9.000 vanwege vermindering van het aantal relevante gebreken. Tevens bevestigde zij dat rookmelders volgens de norm NEN 2555:2008 onderling gekoppeld moeten zijn en dat het college bevoegd was zonder nadere inspectie last I op te leggen. Verder werd geoordeeld dat enkele gebreken ten onrechte aan de boete ten grondslag lagen en dat het college de proceskosten aan appellant moet vergoeden.
De Afdeling vernietigde eerdere rechtbankbesluiten voor zover die het college opdroegen nieuwe besluiten te nemen en stelde zelf de boete vast. Het beroep tegen het besluit op last I werd ongegrond verklaard, het beroep tegen last II werd bevestigd met verbeterde gronden. Het college moet opnieuw besluiten op bezwaar nemen over last II met inachtneming van de uitspraak.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €9.000 en de last onder dwangsom gehandhaafd; eerdere rechtbankbesluiten worden vernietigd of bevestigd met verbeterde gronden.