ECLI:NL:RVS:2022:1647
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsdocument voor gemeenschapsonderdaan zonder aantoonbare zorgtaken
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 november 2019 de aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af. Tevens werd een verzoek tot opheffing van een inreisverbod afgewezen. De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdeling tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep klaagde de vreemdeling terecht dat de rechtbank niet had erkend dat de staatssecretaris een onjuiste maatstaf hanteerde voor de bewijsvoering van identiteit.
Desondanks oordeelde de Raad van State dat de rechtbank terecht en deugdelijk gemotiveerd had vastgesteld dat de overgelegde stukken geen concrete, verifieerbare en objectieve aanwijzingen bevatten voor daadwerkelijke zorgtaken. De vreemdeling slaagde er niet in dit oordeel voldoende te betwisten. Ook was niet aannemelijk dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en zijn kind bestond dat het kind bij weigering van verblijf het grondgebied van de Unie zou moeten verlaten.
De overige grieven werden eveneens verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de gronden. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €759,00, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand door een derde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument bevestigd.