ECLI:NL:RVS:2022:128
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Openbaarmaking bedrijfsadresgegevens PAS-meldingen onder Wob
De zaak betreft hoger beroep van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland over de openbaarmaking van bedrijfsadresgegevens in PAS-meldingen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
MOB had Wob-verzoeken ingediend voor openbaarmaking van gegevens van agrarische en niet-agrarische bedrijven die meldingen deden in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De minister had deze verzoeken deels ingewilligd en deels afgewezen, met name inzake persoonsgegevens en bedrijfsadresgegevens. Na diverse procedures stelde de rechtbank dat ook de bedrijfsadresgegevens als locatiegegevens milieu-informatie zijn en openbaar gemaakt moeten worden, tenzij het adres niet gelijk is aan de locatie van de activiteiten waarvoor de melding is gedaan. Tevens legde de rechtbank een dwangsom op en gaf een termijn van drie weken voor openbaarmaking.
De minister stelde hoger beroep in tegen het oordeel over de locatiegegevens, de dwangsom en de termijn. De Raad van State oordeelde dat de bedrijfsadresgegevens inderdaad onder locatiegegevens vallen en openbaar gemaakt moeten worden, maar vernietigde de opgelegde termijn van drie weken vanwege de korte resterende tijd na schorsing. De termijn werd opnieuw vastgesteld op drie weken na verzending van deze uitspraak. De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.
De Raad van State verwierp ook de stelling van misbruik van procesrecht door de minister en bevestigde de belanghebbendheid van LTO Noord in de procedure.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat bedrijfsadresgegevens in PAS-meldingen openbaar gemaakt moeten worden en stelt de termijn voor openbaarmaking opnieuw vast op drie weken.