ECLI:NL:RVS:2022:1112
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning wegens ontbreken middelen en gezinsleven
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 17 mei 2018 de verblijfsvergunningen van een Nigeriaanse vreemdeling en haar minderjarige kind in, omdat zij niet had gemeld dat zij nooit had samengewoond met haar partner (referent) en omdat zij niet voldeed aan het middelenvereiste. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het vereiste van werkelijk gezinsleven niet kan worden geëist naast een duurzame en exclusieve relatie, en dat er geen sprake was van oneigenlijk gebruik van het recht op gezinshereniging. Wel stelde de Raad vast dat de vreemdeling en referent onvoldoende middelen hadden op het moment van verlening van de vergunning en dat de vreemdeling dit niet aannemelijk had gemaakt.
De Raad nam ook de belangenafweging mee, waarbij werd vastgesteld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de intrekking met terugwerkende kracht evenredig was, terwijl de vreemdeling en referent een duurzame relatie hadden en samenwoonden. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard, evenals het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunningen en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.