ECLI:NL:RVS:2021:628
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving last onder dwangsom voor tuinhuisje buiten vrijstelling en bouwstrook
Bij besluit van 27 september 2018 legde het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland aan appellant een last onder dwangsom op om een tuinhuisje te verwijderen dat niet binnen de verleende vrijstelling was gebouwd. Het tuinhuisje stond deels op percelen M1063 en M739, terwijl de vrijstelling alleen betrekking had op perceel M744.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de handhaving ongegrond. Appellant stelde dat het college niet bevoegd was tot handhaving omdat het tuinhuisje volgens hem binnen de vrijstelling was gebouwd en dat handhaving onevenredig was vanwege het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
De Raad van State oordeelde dat het tuinhuisje niet overeenkomt met de vrijstelling, omdat het deels op andere percelen staat dan toegestaan en zonder omgevingsvergunning is gebouwd. Het college was daarom bevoegd tot handhaving. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellant geen toezeggingen kon aantonen waaruit hij mocht afleiden dat niet gehandhaafd zou worden. Ook was de overtreding niet van geringe aard. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd niet inhoudelijk behandeld omdat dit niet in eerste aanleg was aangevoerd.
De Raad van State bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhaving van de last onder dwangsom bevestigd.