Eisers, een gezin van Turkse nationaliteit met drie in Nederland geboren kinderen, hebben meerdere malen een verblijfsvergunning aangevraagd op basis van schrijnende omstandigheden en de discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris. Verweerder heeft deze aanvragen steeds afgewezen, waarbij verweerder zich baseerde op het ontbreken van een schrijnend geval en het niet betalen van leges.
De rechtbank heeft onderzocht of verweerder een vaste gedragslijn hanteert bij de toepassing van de discretionaire bevoegdheid en concludeert dat verweerder sinds 18 maart 2005 geen vaste weging van schrijnende factoren toepast, maar elke zaak individueel beoordeelt aan de hand van een praktijkdocument met een niet-limitatieve opsomming van factoren en contra-indicaties. Eisers stelden dat verweerder een vaste gedragslijn hanteert en deze niet transparant toepast, wat zou leiden tot willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende motieven heeft om niet van een vaste gedragslijn uit te gaan en dat het ontbreken van een vaste weging niet leidt tot willekeur, mits verweerder helder motiveert waarom een aanvraag wordt afgewezen. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom de zaak van eisers verschilt van vergelijkbare gevallen, wat een motiveringsgebrek oplevert. Dit gebrek wordt echter in de procedure hersteld, zodat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.
De rechtbank bevestigt voorts dat de eerdere uitspraak van 15 maart 2017 bindend is en dat er geen rechtens relevante nieuwe feiten zijn die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.