ECLI:NL:RVS:2021:2630
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning aanleg riolering en wijziging uitweg op recreatieterrein
Het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) verleende op 29 mei 2019 een omgevingsvergunning aan de vergunninghoudster voor het aanleggen van riolering, grondwerkzaamheden, een weg en het wijzigen van een uitweg op een recreatieterrein in Schoorl. De appellant, eigenaar van een aangrenzend perceel, maakte bezwaar tegen deze vergunning en voerde aan dat het college ten onrechte de vergunning had verleend zonder voldoende belangenafweging en motivering, met name over de stabiliteit van het talud, de aantasting van groenvoorziening en het uiterlijk aanzien van de omgeving.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het collegebesluit. In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat appellant belanghebbende is omdat zijn perceel grenst aan het perceel van vergunninghoudster en hij feitelijke gevolgen kan ondervinden. De Afdeling stelt vast dat het college de aanlegvergunning terecht heeft verleend op grond van artikel 2.11 Wabo en artikel 23 van Pro het bestemmingsplan, zonder ruimte voor belangenafweging. De bezwaren over stabiliteit van het talud zijn niet relevant voor de vergunningverlening.
Ten aanzien van de uitwegvergunning overweegt de Afdeling dat het college beleidsruimte heeft en in redelijkheid het belang van vergunninghoudster zwaarder mocht laten wegen dan het belang van bescherming van de groenvoorziening en het uiterlijk aanzien. De aantasting van 1 m2 gras is gering en de uitweg voldoet aan de eisen voor bruikbaarheid, ook voor hulpdiensten. De motiveringsgebreken zijn hersteld en appellant is niet in zijn belangen geschaad. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning bevestigd.