ECLI:NL:RVS:2021:2384
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot wijziging achternaam minderjarige ondanks eerdere toewijzing
Appellante verzocht de minister voor Rechtsbescherming om de achternaam van haar minderjarige dochter te wijzigen van de naam van verzoeker naar die van haarzelf. De minister wees dit verzoek aanvankelijk af, verklaarde het bezwaar eerst ongegrond en later gegrond, waarna de achternaamswijziging werd toegestaan. Verzoeker ging hiertegen in beroep, maar de rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond. Tijdens het hoger beroep trok verzoeker zijn beroep in nadat de minister het besluit tot toewijzing introk wegens een motiveringsgebrek en het verzoek alsnog afwees.
Appellante voerde aan dat de minister niet bevoegd was om een nieuw besluit te nemen tijdens de lopende procedure en betwistte de inhoud en het gebruik van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) dat negatief oordeelde over de naamswijziging. De minister mocht het rapport echter betrekken bij zijn besluitvorming omdat het relevante informatie bevatte en zorgvuldig tot stand was gekomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister bevoegd was het besluit in te trekken en te herzien, ook tijdens lopende procedures, en dat het belang van het kind leidend is. Het rapport van de RvdK concludeerde dat de naamswijziging niet in het belang van het kind was vanwege loyaliteitsproblemen en verharding van de relatie tussen ouders. De door appellante overgelegde verklaringen van een jeugdpsycholoog en pedagoog konden deze conclusie niet weerleggen. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard.
Verzoeker werd proceskostenvergoeding toegekend wegens intrekking van zijn hoger beroep en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht. De minister hoefde geen proceskosten aan appellante te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit van de minister tot afwijzing van de achternaamswijziging is ongegrond verklaard.