ECLI:NL:RVS:2021:2290
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding schade door wegslepen en slopen woonschip na last onder bestuursdwang
Appellant kocht in december 2015 een woonschip dat in de Noorderhaven te Groningen lag. Het college legde in november 2016 een last onder bestuursdwang op tot verwijdering van het schip. Na bezwaar en beroep werd dit besluit in rechte bevestigd. Het schip werd in juni 2017 weggesleept en tijdelijk opgeslagen. Na overschrijding van de bewaartermijn en het niet ophalen door appellant, werd het schip in maart 2019 gesloopt.
Appellant vorderde vergoeding van de kosten van het wegslepen en opslag, alsmede schadevergoeding voor de vernietiging van het woonschip. De rechtbank wees het verzoek tot vergoeding van de kosten van het wegslepen af en verklaarde zich onbevoegd over de schade door slopen. In hoger beroep is dit oordeel bevestigd.
De Afdeling stelt dat de rechtmatigheid van de last onder bestuursdwang en de vaststelling van de bestuursdwangkosten in rechte onaantastbaar zijn geworden, zodat vergoeding van schade uit hoofde van deze besluiten niet mogelijk is. De vernietiging van het schip is feitelijk handelen en geen besluit in de zin van de Awb, waardoor de bestuursrechter onbevoegd is om hierover te oordelen.
Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd dat vergoeding van schade door wegslepen en slopen van het woonschip niet toekomt.