ECLI:NL:RVS:2021:2105

Raad van State

Datum uitspraak
20 september 2021
Publicatiedatum
21 september 2021
Zaaknummer
202103920/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 106 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bewaring vreemdeling en toekenning schadevergoeding wegens gebrek aan redelijke termijn uitzetting

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 23 mei 2021 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat er geen uitzicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije, zoals bevestigd in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2021:2092). De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard.

De bewaring werd met ingang van de datum van uitspraak opgeheven. Bovendien werd aan de vreemdeling een schadevergoeding van €9.060 toegekend voor de periode van bewaring, en werden de proceskosten van €2.244 vergoed aan de vreemdeling. De staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen.

Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven en er wordt een schadevergoeding toegekend wegens het ontbreken van uitzicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

Uitspraak

202103920/1/V3.
Datum uitspraak: 20 september 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 juni 2021 in zaak nr. NL21.8280 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 15 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.P. van Empel-Bouman, advocaat te 's­-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft het hoger beroep aangevuld.
Overwegingen
1.       De door de vreemdeling in zijn eerste grief opgeworpen rechtsvraag over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 17 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2092. Uit die uitspraak volgt dat de grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig om wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring wordt opgeheven met ingang van vandaag. Ook heeft de vreemdeling recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 juni 2021 in zaak nr. NL21.8280;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag wordt opgeheven;
V.       kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 9.060,00 over de periode van 23 mei 2021 tot en met 20 september 2021, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2021
345-922