ECLI:NL:RVS:2021:2025
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over bevoegdheid college tot verplaatsingsbesluit woonboot
In deze zaak verzocht appellante het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een besluit te nemen over de verplaatsing van haar woonboot, gebaseerd op eerdere toezeggingen aan de vorige eigenaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk omdat volgens haar de Verordening op het binnenwater (Vob) geen grondslag biedt voor een dergelijk verplaatsingsbesluit en het college dus niet bevoegd was dit besluit te nemen.
Appellante stelde in hoger beroep dat het college wel bevoegd is op grond van artikel 1.2.9 van de Vob en dat het nemen van een verplaatsingsbesluit noodzakelijk is voor rechtsbescherming en het voorkomen van onrechtmatige druk door de gemeente. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat artikel 1.2.9 Vob slechts ziet op het geven van aanwijzingen van ondergeschikte aard en niet op het nemen van een besluit tot verplaatsing van een woonboot.
De Afdeling bevestigde dat voor het verkrijgen van een ligplaats een ligplaatsvergunning moet worden aangevraagd, waartegen wel rechtsbescherming openstaat. Ook kan appellante zich wenden tot de bestuursrechter of burgerlijke rechter in handhavingsprocedures of civiele procedures. Het verzoek van appellante kwalificeert niet als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het college niet gehouden was een besluit te nemen en beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet ontvankelijk is.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Het college werd verplicht het betaalde griffierecht aan appellante te vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank is onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een verplaatsingsbesluit omdat het college daartoe niet bevoegd is.